U bent hier
“Daarom, aanvaardt elkaar, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods.“
Romeinen 15:7
Paulus heeft in het nieuwe testament het leeuwendeel van de geschriften voor zijn rekening genomen. Persoonlijk denk ik trouwens niet dat hij dat zo bewust heeft gedaan. Het kwam er waarschijnlijk gewoon van. En hij had het er maar druk mee.
Vanuit verschillende plaatsen was hij voortdurend bezig om de gemeenten te bemoedigen en te ondersteunen. En omdat hij nu eenmaal niet lijfelijk overal tegelijkertijd kon zijn, deed hij dat veelal schriftelijk. Ook het feit dat hij toch wel een groot gedeelte van zijn bediening in gevangenschap doorbracht, leidde als vanzelf tot een omvangrijke correspondentie.
De gemeenten die de rondschrijfbrieven, want dat waren het toch over het algemeen, ontvingen, konden er hun voordeel mee doen. Op zeer diepgaande wijze werden allerlei principes uit het koninkrijk Gods uiteengezet. Paulus gaf toch wel blijk van een gedetailleerd inzicht op dat terrein.
De gemeente in Rome was, in tegenstelling tot de meeste anderen, niet door Paulus direct gesticht. Wellicht dat anderen dat, al dan niet op basis van het onderricht van Paulus, hadden gedaan. Feit is echter, dat men de autoriteit van Paulus onderkende. Dat blijkt uit de manier waarop hij zijn brief aan de Romeinen schrijft.
Die gemeente in Rome was een verhaal apart. In de tijd, dat de brief van Paulus speelt, waren de joden weer aan het terugkeren in de Romeinse residentie. Onder de vervolgingen van Claudius hadden dezen de stad moeten verlaten. En nu, onder het aanvankelijk milde bewind van zijn opvolger Nero, keerden dezen weer terug. En dus ook in de gemeente. De gemeente, die gedurende langere tijd voor het merendeel uit heidenen had bestaan, kreeg weer joodse broeders (en zusters) in de gelederen.
Het verklaart, waarom Paulus zo uitvoerig schrijft over de verhouding tussen jood en heiden in de brief aan de Romeinen. Immers; de heidenen begonnen zich plotseling af te vragen hoe het nu zat. Hoorden de joden er nu wel of niet bij. Toen ze er in groten getale “van tussen” waren was die vraag niet aan de orde. Nu zij echter weer terugkeerden en zich wederom in de gemeente lieten zien, drong de vraag zich des te meer op.
De vraag waar het allemaal om draaide was uiteindelijk: kon men christen zijn, buiten de invloed van het joodse denken. En in de loop van de jaren, dat de gemeente op “eigen” benen had gestaan, was die vraag uiteindelijk beantwoord: ja, het kon!
Binnen die context moet ook de opmerking van Paulus worden geplaatst, dat “men elkaar dient te aanvaarden”. Het gaat hier niet om puur de ene christen ten opzichte van de andere: het gaat om de christen met de heidense - , tegenover de christen met de joodse achtergrond.
De joodse christenen die terugkeerden, brachten als vanzelfsprekend ook hun achtergrond en wortels weer mee. En hoe moest daar nu mee worden omgegaan? Moesten die nu ineens Jood-af zijn? Wat betekende het concreet om elkaar te aanvaarden? Daarover een volgende keer meer.