U bent hier
“En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara’s moederschoot was gestorven;”
Romeinen 4:19
De personen in de bijbel zijn allemaal normale mensen. Ze hebben normale problemen, normale dagelijkse beslommeringen, normale vreugden en normaal verdriet. Hetgeen ze meemaken is vaak niet normaal. Maar de manier waarop ze er mee omgaan is wel weer normaal. En daar schuilt voor ons een les. Een onderwijzing.
De geschiedenissen gaan vaak over gebeurtenissen die in een ver verleden hebben plaatsgevonden. De oudste verhaalt zelfs van de schepping. En daar waren we geen van allen bij. Maar, zoals reeds aangegeven, de manier waarop de mensen toentertijd handelden en ondernamen is gelijk aan de manier waarop wij dat zouden doen.
Abraham is 75 jaar als hij door God verder uit Haran naar Kanaän wordt gedirigeerd. Sara is 65. Samen trekken ze in geloof met elkaar op. Voortdurend gestuurd door het Woord van God. Het Woord van God voor het leven van Abraham is, dat hij nakomelingen zal hebben. Maar Sara is onvruchtbaar, dus de vervulling van die belofte zit er niet direct in.
Het wordt Sara en Abraham op een bepaald moment zelfs zo zwaar, dat Sara Abraham adviseert, dan maar de slavin Hagar te nemen en bij haar nakomelingschap te verwekken. Zo gezegd, zo gedaan. Abraham krijgt bij Hagar een zoon, Ismaël. Maar dat ligt niet in de lijn van de bedoelingen van God. En alhoewel God aangeeft ook voor Ismaël (en Hagar) te zullen zorgen, blijft overeind dat Abraham bij Sara een kind dient te verwekken.
Abraham wordt er wanhopig van. En naarmate de jaren verstrijken, kwijnen Abrahams mogelijkheden weg als sneeuw voor de zon. Het is vechten tegen de bierkaai. Immers Sara is sowieso onvruchtbaar, dus wat moet je dan? Daarnaast loopt Abraham inmiddels tegen de 100 jaar. En dan vlot het allemaal niet meer zo met de viriliteit. Het eind van het liedje is, dat ook Abrahams schoot afsterft: ook hij kan nu geen kinderen meer verwekken.
Het lijkt wel alsof God op dit moment heeft gewacht. Hij bezoekt Abraham en geeft hem voor de zoveelste keer de verzekering, dat Abraham en Sara nakomelingen zullen hebben. Maar nu zegt Hij er iets bij: binnen een jaar zal het plaatsvinden. Het wordt ineens heel concreet. Vijfentwintig jaar na de eerste belofte, is het dan nu bijna zover. Izaak zal gelden als de zoon van de belofte.
De les die Abraham leert is een les waarbij wij over zijn schouders mogen meekijken. Als alle mogelijkheden van de mens zijn uitgeput, blijft de belofte van God. En Hij is een waarmaker van zijn woord. Zowel Abraham als Sara moesten eerst verlost worden van alle eigen werk. Uiteindelijk was er niets meer in te brengen, letterlijk en figuurlijk. En dan handelt God. Die eer geeft Hij aan geen ander. Niemand zal kunnen zeggen, dat er nog iets van eigen werk bij was.
Soms moeten wij ook komen op het punt, dat we volledig afhankelijk zijn van de toezeggingen van God. Er geldt dan volharding. Vertrouwen op Zijn Woord. En dat gaat niet zomaar vanzelf. De mens heeft daar een niet lichte les te leren: niet in eigen kracht, maar door de genade van God zal het gebeuren.